Je bent een bijzonder soort tandarts geworden: een tandarts maxillofaciale prothetiek, kortweg MFP-tandarts. Daar had je als tiener vast nog nooit van gehoord.
‘Haha, nee, inderdaad niet. Maar in mijn tweede studiejaar kregen we college in bijzondere tandheelkunde, waar MFP onderdeel van is. Als tandarts kon je dus ook werken in een ziekenhuis, zag ik, met een heel specifieke patiëntengroep die complexe zorg nodig heeft. Dát is het, dacht ik.’
Maar eerst werd je een ‘gewone’ tandarts…
‘Na mijn studie in Amsterdam begon ik met een studiegenoot een eigen tandartsenpraktijk in Haarlem. Dat was leuk. De praktijk groeide, ons team groeide mee. Maar de bijzondere tandheelkunde bleef aan me trekken. Ik kreeg de kans om naast mijn eigen praktijk een paar dagen in de week een centrum voor bijzondere tandheelkunde te werken. Ja, toen was ik verkocht. Na een paar jaar kwam er een opleidingsplek vrij in Groningen en besloot ik de stap te wagen. Ik verkocht mijn praktijk en startte met de vierjarige opleiding tot tandarts maxillofaciale prothetiek.’
Maxillofaciale prothetiek. Dat moet je vast vaak uitleggen?
‘Klopt, het klinkt nogal ingewikkeld. MFP-tandartsen behandelen mensen met aangeboren afwijkingen in het hoofd-halsgebied. Bijvoorbeeld mensen die zijn geboren met een hazenlip, of zonder tanden. En mensen met ‘verworven’ afwijkingen die later in het leven ontstaan; vaak door kanker of een ernstig ongeval. Ik richt me vooral op patiënten met kanker in het hoofd-halsgebied die, als de tumor wordt weggehaald, soms delen van hun gezicht kwijtraken. Bijvoorbeeld een deel van de boven- of onderkaak, de neus, een oog of een oor.’
Wat kun je als tandarts voor deze patiënten betekenen?
‘Ik ben als MFP-tandarts onderdeel van een groot team met mond-, kaak- en aangezichtschirurgen (MKA-chirurgen), plastisch chirurgen, KNO-artsen, radiotherapeuten en vaak nog andere specialisten. Samen maken we een behandelplan: waar zit de tumor precies, welk deel moeten we weghalen en niet onbelangrijk: wat blijft er dan over? Soms is er een speciaal aangepast gebit of een prothese noodzakelijk voor herstel. Want we kunnen een nieuwe neus, oor of oog maken, maar hoe we die gaan bevestigen is zeker zo belangrijk. Vroeger werd er veel gewerkt met plakneuzen en -oren, waarvan de lijm makkelijk losliet als je ging zweten. Ook is dat lijmen erg bewerkelijk voor de patiënt. Nu doen we zoveel mogelijk met implantaten, dezelfde soort als die we in een klikgebit gebruiken. Daarmee zit een prothese superstevig vast, dat geeft veel minder stress voor de patiënt.’
Is zo’n prothese vooral voor de sier?
‘Zeker niet! De meeste protheses zijn functioneel. Want zonder tanden kun je niet kauwen, met een open verbinding tussen mond en neus kun je niet slikken of praten, en zonder oor of neus kun je geen bril of gehoorapparaat dragen. Natuurlijk is het uiterlijk ook belangrijk. Soms moeten patiënten, om de kanker weg te halen, heel verminkende operaties ondergaan. Sommigen durven daarna niet in de spiegel te kijken en vermijden sociale contacten. Daar begeleiden we mensen bij. Een ernstige ziekte heeft al zoveel impact op het leven van de patiënt, en dan komt dit er overheen. Zo’n prothese kan echt helpen om weer verder te kunnen met het leven. Weer uit eten te kunnen met het gezin, een taartje eten op visite. Helaas is dat niet voor alle patiënten haalbaar.’
Hoe gaan jullie te werk?
‘Vanaf de diagnose werken we als team samen: De collega’s van het 3D lab helpen met het voorbereiden van de operatie door complexe operaties in 3D beelden inzichtelijk te maken. De KNO-artsen, MKA- en plastisch chirurgen bekijken welke reconstructie mogelijk is, de tandarts MPF geeft aan welke ruimte er nodig is voor het plaatsen van implantaten en protheses. Als dat nodig is wordt er in het 3D-lab een mal gemaakt waarmee de chirurg heel precies weet welke stukjes bot er moeten worden weggehaald of waar de implantaten geplaatst moeten worden..’
Is dat anders dan elders in het land?
‘Die Groninger aanpak is uniek in Nederland en levert ook echt iets op: vaak kunnen wij in één operatie de kanker verwijderen, een chirurgische reconstructie uitvoeren en ook alvast de implantaten voor de prothese plaatsen. Bij eventuele bestraling na de operatie zijn de implantaten al geplaatst. Zo krijgt een patiënt veel sneller de definitieve prothese en kunnen ze weer doorgaan met leven. We trekken daarin ook samen op met de patiënt. Samen bepalen we kleur en model.
Wil je een oor met gaatjes voor oorbellen erin, dan maken we dat.
De een wil zijn eigen karakteristieke neus terug, met sproetjes, adertjes en al. De andere patiënt zegt: als ik toch een nieuwe neus krijg, doe mij dan maar een iets verfijnder model. Sommige patiënten hebben een winterneus én een zomerneus nodig, omdat de huid in de zomer veel bruiner is.’
Geen spijt dus, van je keus voor Groningen?
‘De zorg voor deze patiënten is levenslang: implantaten hebben onderhoud nodig, een prothese gaat niet levenslang mee. Maar er zijn ook patiënten die zeggen: aan mijn lijf geen polonaise. Geef mij maar een ooglapje in plaats van een prothese. Ook goed. Wij willen een prothese maken die echt bij de patiënt, en bij diens leven, past. Daarom is goed contact met de patiënt ook zo belangrijk. Dat maakt dit werk ook zo mooi: ik kan echt het verschil maken in het leven van patiënten. Ik ben dan ook erg blij met m’n keuze voor Groningen: ik voel me hier als een vis in het water.’