Vanwaar die fascinatie met psychosen?
“In de tien jaar dat ik als psychiater werk, heb ik duizenden mensen met een psychose gezien. Iedere patiënt is anders en uniek. Ik verbaas me nog iedere dag. Dat maakt deze aandoening zo boeiend. En hoewel we steeds beter snappen wat er tijdens een psychose gebeurt, blijft het intrigerend en mysterieus dat je eigen hersenen je zo voor de gek kunnen houden. Bovendien is het vaak ook spannend werk. Vorige week ben ik nog samen met twee agenten via een ladder een huis ingeklommen om daar een patiënt te kunnen helpen.”
Voor de duidelijkheid: wanneer spreek je van een psychose en wanneer van schizofrenie?
“Een psychose is een verzamelnaam voor symptomen, waaronder waanideeën. Schizofrenie is de diagnose die iemand krijgt als hij minimaal een maand psychosen heeft (gehad), en daar nog minstens een half jaar (rest)klachten van heeft. Bij schizofrenie komt namelijk veel meer kijken. Zo hebben patiënten bijvoorbeeld ook problemen met organiseren en motivatie.”
Uw leerstoel gaat over de sociale context van psychosen. Wat bedoelt u daarmee?
“De dagelijkse leefomgeving van een patiënt en de relaties met de mensen om hem heen zijn van grote invloed op het ontstaan, het verloop en het herstel van de ziekte. Maar ook waar iemand woont en uit wat voor milieu en cultuur hij komt, spelen een rol. Al die zaken samen noemen we de sociale context.”
Waarom is die zo belangrijk?
“Het begint bij de ziekte zelf. Mensen met een psychose lopen vast in hun interactie met anderen. In hun omgeving, kortom. Ze denken bijvoorbeeld dat bekenden of onbekenden ze kwaad willen doen. Vervolgens zijn de sociale gevolgen van een psychose enorm. Patiënten verliezen vaak alles wat ze dierbaar is: relaties, studie, werk. Om een behandeling op de lange duur te laten slagen, moet je al die aspecten meenemen. En dan is er nog de maatschappelijke context. Buitenstaanders vinden mensen met een psychose al snel eng. Dat maakt het extra lastig om als (ex-)patiënt je weg (terug) te vinden en weer volwaardig mee te doen. Ook dat komt het herstel niet ten goede. Daar wil ik verandering in brengen, onder andere met mijn leerstoel.”
Hoe gaat u dat doen?
“Bijvoorbeeld door het belang van die sociale context wetenschappelijk aan te tonen. Op basis daarvan kunnen we dan nieuwe manieren van diagnostiek, preventie en behandeling ontwikkelen. Dat doen we onder ander met behulp van virtual reality. Dat is een fantastische manier om de ingewikkelde sociale omstandigheden waar patiënten mee te maken krijgen in de onderzoekkamer te halen. Ik ben ervan overtuigd dat VR de komende jaren een enorme vlucht gaat nemen in de psychiatrie.”
Hoe werkt dat?
“Met een VR-bril op begeef je je als patiënt in een virtuele, maar tegelijkertijd levensechte wereld. De behandelaar kan die omgeving aanpassen en zo bepaalde reacties uitlokken. Dat geeft patiënten dan weer de mogelijkheid om — met deskundige hulp — te leren hoe ze anders met zo'n situatie kunnen omgaan. Met als ultiem doel: minder psychische klachten en beter sociaal functioneren.”
Heeft dat in de praktijk al wat opgeleverd?
“Jazeker! We hebben onder andere een VR-therapie voor paranoïde wanen ontwikkeld, die bewezen werkt. Nu onderzoeken we of we deze aanpak ook voor andere doelgroepen kunnen gebruiken, bijvoorbeeld in de vorm van een VR-agressietraining voor TBS-ers.”
Wilde u altijd al psychiater worden?
“Van jongs af aan ben ik gefascineerd door mensen en hun verhalen. Eerst wilde ik journalist worden, maar daar was ik te verlegen voor. Psycholoog leek me een goed alternatief. Een kennis van mijn ouders, een huisarts, overtuigde me voor de psychiatrie te gaan. Ik heb er geen seconde spijt van gehad.”
Wat maakt het vak zo mooi?
“Alles draait om goed luisteren en oprecht contact. Mensen met psychosen zijn vaak heel argwanend. Die moet je echt verleiden om hulp te accepteren. Dat vraagt om creativiteit, inventiviteit en maatwerk. Patiënten dagen me uit om het beste uit mezelf te halen en ze daarmee zo goed mogelijk te helpen. Uiteindelijk gaat het immers niet om wat ik wil bereiken, maar om wat zij nodig hebben.”